Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hemelsch leven, zijn Godsgestalte, zooals Paulus zegt (Phil. 2:6), d. w. z. zijn goddelijke bestaanswijze, waarvan Hij zich ontdaan had, toen Hij mensch werd. En in den nieuwen toestand, waarin Hij door zijn verhooging is overgebracht, is zijn menschelijk leven zoozeer van het goddelijk leven doordrongen, dat het eerste de adaequate en eeuwige verschijningsvorm van het laatste wordt, „Ik zie", zegt de stervende Stephauus, „den Zoon des mensehen staande ter rechterhand Gods" (Hand. 8: 5, 6). „In Hem woont al de volheid Gods lichamelijk (peifuiriK&t)", verklaart de apostel (Col. 2:9). — Het is onjuist, met Sabatier te zeggen, dat Jezus door zijn verheerlijking in een hooger toestand is gekomen, dan die, waarin Hij zich vóór zijn menschwording bevond (L'apótre Paul, blz. 236). De uitdrukking 6eoü, Godsgestalte, waarmede Paulus den toestand van den praeëxistenten Christus aanduiat, geeft heel wat anders te kennen, dan hetgeen Sabatier daarin zien wil: een bloote werkende kracht, „een ledigen vorm." Zij beantwoordt aan de uitdrukking (topCpy 3ouhov, dienstknechtsgestalte (vs. ï); deze nu duidt zeer zeker den werkelijken toestand aan, dien Jezus intrad, zoodat de uitdrukking „Godsgestalte" den even werkelijken goddelijken toestand, dien Hij prijsgegeven had, te kennen moet geven. Hoe zou de apostel anders kunnen zeggen, dat Christus den eenen toestand met den anderen verwisseld heeftP De toestand, dien Jezus door zijn hemelvaart intrad, kan dus niet hooger zijn dan die, waarin Hij vóór zijn menschwording verkeerd heeft. Jezus heeft zijn Vader teruggevraagd (Joh. 17 : 5) „de heerlijkheid, die Hij bij Hem had, eer de wereld was". En de Vader heeft Hem die teruggegeven: „Ik ben van den Vader uitgegaan", zegt Hij (Joh. 16 : 28), „en ben in de wereld gekomen; en nu verlaat ik de wereld, en ga heen naar den Vader." Het ware verschil tusschen zijn tegenwoordigen verheerlijkten toestand en zijn toestand in de praeëxistentie bestaat hierin: dat Hij thans de goddelijke heerlijkheid bezit en van de voorrechten daarvan gebruik maakt als Zoon des menschen, en niet meer alleen als Zoon van God.

Sluiten