Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daaruit vloeit dan ook de beteekenis voort, die de hemelvaart voor de menschheid heeft. Dit feit is de voltooiing van haar schepping. Het doel, dat God met de schepping van den men3ch beoogde, was, hem tot het zelfbewuste en vrije werktuig zijner volmaakte heiligheid en liefde, tot het persoonlijk orgaan van zijn oneindig leven, tot den drager van zijn gelukzaligheid en heerlijkheid te maken. Toen de mensch zondigde, belemmerde hij de verwezenlijking van dit plan; maar hij heeft het niet opgeheven. In de opstanding van Christus zien wij den mensch van de verdoemenis en den dood verlost, en daardoor gerehabiliteerd. Maar dit is nog niet het volle heil. Door de hemelvaart laat God den gerechtvaardigden mensch in Christus aan de goddelijke heerlijkheid deelnemen, en verwezenlijkt op deze wijze in Hem zijn oorspronkelijk scheppingsplan. Nu eerst kan men zeggen, dat de schepping voltooid is.

Voltooid, doch eerst nog in Christus alleen; maar God blijft daarbij niet stilstaan. Nadat de hemelvaart het werk des heils voor ons voltooid heeft, legt zij den grondslag van zijn verwezenlijking in allen, die gelooven. Dit is haar beteekenis voor de gemeente. Er zijn nu nog twee feiten noodig, opdat allen, die zich door het geloof met Christus verbinden, kunnen deelen in zijn heerlijkheid en daardoor in zichzelf de scheppingsgedachte verwezenlijken. Deze feiten zijn in de taal des bijbels het Pinksterfeest en de Parousie, de twee onmisbare aanvullingen van de hemelvaart. Door het eerste deelt de verheerlijkte Jezus aanhoudend zijn Geest mede aan de geloovigen, die zijn leden worden, aan de gemeente, die zijn lichaam wordt; Hij laat haar aan zijn doop deelnemen, en doet haar zijn geestelijk leven, d. w. z. zijn heiligheid deelachtig worden. Door het tweede, zijn wederkomst, zal Hij haar doen deelen in zyn hemelvaart en tot deelgenoot van zijn heerlijkheid maken. Dat had Hij aan den Vader gevraagd, toen Hij bad: „Vader, ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt, omdat gij mij liefgehad hebt vóór de grondlegging

Sluiten