Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na dit alles gezegd te hebben, Edel Mogende Heeren, omtrent de redenen waarom Z. K. H. aan een finantielen maatregel van dezen aard de voorkeur heeft gegeven, blijft mij nog overig U meer van nabij te doen kennen het noodzakelijke derzelve.

De opbrengst, die men uit de te doene bijlage verwacht, en welke men op zesentwintig Millioenen guldens kan begrooten, is noodig om in de buitengewone behoeften van dit jaar te voorzien.

Ten einde dit nader te ontwikkelen heeft Z. K. Hoogheid, onze geeerbiedigde Souverein. mij gelast, om in dit eenig en nimmer terug te verwachten geval, dat Uwe Vergadering nog niet aangesteld was op het oogenblik waarop dezelve anderzints, volgens de bepalingen onzer Grondwet, over de Begrooting der Staatsbehoeften zoude hebben moeten delibereren, en dat de staatsuitgaven en verbintenissen van dezen jaren reeds voor uwe bijeenkomst tot eene aanzienlijke hoogte geklommen waren, U Edel Mogende, alle zoodanige informatien en ophelderingen aan te bieden, als zoude kunnen strekken tot beter verstand van Z. K.. Hoogheids welberaden oogenmerken ten dezen.

Bjj Hoogstdezelve aanvaarding van de regering dezer Landen, vondt hjj de schatkist geheel uitgeput. Eene bijna niet noemenswaardige som van ƒ336,000:0:0 was alles wat Hoogstdezelve vondt, en daarentegen waren er vele krijtende schulden, terwijl de gewone inkomsten op vele plaatsen geheel stil stonden en op alle schoorvoetend inkwamen.

Eene afscheiding tusschen den loopenden dienst en de vroegere tijdvakken wierdt dadelijk daargesteld. Eene commissie tot opneming van de achterstallige schulden, tot die vroegere tijdvakken behoorende, wierd benoemd, van welker werkzaamheden Z. K. Hoogheid hoopt het resultaat tot een der eersten objecten van deleberatie voor uwe aanstaande gewone vergadering, te zullen kunnen maken.

De onkosten der Maand December 1813 worden begroot op ƒ2,900,000:0:0.

Deze zullen, naar het geen men daar omtrent voor als nog bepalen kan, door, de reeds geinde en nog te verwachten inkomsten bestreden worden.

Voor den loopenden jare 1814 zijn de gewone en buitengewone uitgaven van den Staat, berekend op ƒ 63,500,000:0:0, de inkomsten daarentegen van dit, in allen opzigte, nog zeer verachterde jaar, worden niet hooger dan ƒ 38,480,000:0:0 geraamd, en hier uit ontspruit dus een te kort van ƒ 25,020,000.

Dit tafereel, Ed. Mog. Heeren, is in den eersten opslag van het oog ontmoedigend, maar bedaard ingezien, wordt het zelve minder verschrikkend.

Dit te kort is veroorzaakt door omstandigheden van zulk een buitengewonen aard, dat dezelve, onder Gods zegen, nimmer terug kunnen komen.

Z. K. Hoogheid vertrouwt dat de navolgende ophelderingen U. Ed. Mog. met hem zullen doen deelen in eene volkomene overtuiging ten dezen.—

Sluiten