Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Voor gequalificeerde rekeningen op het tegenwoordig Groot-Boek en voor inschrijvingen waarop een verband gesteld is, zullen geene blanco Renversalen kunnen worden bekomen, maar de houders dezer rekeningen en inschrijvingen, zullen alleen tot hunne verantwoording een bewijs bjj de voornoemde Commissie erlangen, dat zij aan de Wet voldaan hebben, en zal de gezegde Commissie alsdan zorgen, dat dadeljjk alle de zoodanige Kapitalen op de nieuwe Groot-Boeken worden ingeschreven op dezelfde hoofden, en met dezelfde aanteekeningen, als zij in het tegenwoordig Groot-Boek vermeld staan.

17. De Administratie-Kantoren, welke, ten gevolge van het 19 Art. van de Wet op het Groot-Boek der Nationale Schuld, in dato 27 Jauuarij 1809, hebben uitgegeven Certificaten van deelgeving in de fondsen ten hunnen name ingeschreven, zullen, als vallende in de termen van het hier voorgaand Artikel, even als alle houders van gequalificeerde of verbondene rekeningen, behandeld worden, des echter, dat men hun zoodanige faciliteiten zal toestaan, als hunne werkzaamheden vereischen, en bestaanbaar zullen bevonden worden met de securiteit, welke voor de houders der Certificaten moet bewaard blijven; — al hetwelk bjj een nader Reglement door Ons zal worden bepaald.

18. De voornoemde afschrijving en bijbetaling moeten geschieden in vier termjjnen, en wel één vierde vóór ultimo September, één vierde vóór ultimo October, één vierde vóór ultimo November, en eindelijk één vierde vóór ultimo December 1814.

De wijze, waarop het bij de meergemelde Commissie blijken zal, dat zulks rigtig geschied is, zal bij een nader Reglement door Ons bepaald worden.

19. De gene die in gebreke mogten blijven, om in de voorschreven termijnen, het vierde gedeelte van hunne Kapitalen, volgens deze Wet aan te fourneren, zullen verstoken zijn van het regt, om, in den loop van dit jaar, de bovengenoemde Renversalen te bekomen, of het hier boven gemeld bewijs van voldoening aan de Wet te erlangen, en buiten de gelegenheid geraken, om met het jaar 1815 de inschrijving op de respectieve Grootboeken te erlangen; zullende de Renversalen en bewijzen van de alzoo verzuimde gedeelten, niet dan in den loop van 1815 afgegeven worden, en niet dan na primo Januarij 1816 opgeroepen en ingeschreven worden, zoo dat de zoodanige achterblijvers niet alleen verstoken zullen blijven van de inschrijving hunner Kapitalen gedurende dien tijd, maar ook dienvolgens van de geheele Intrest van het jaar 1815, en daarenboven van de eventuele kans, om hun aandeel in de uitgestelde Schuld op de werkelijke Schuld in dat jaar over te zien gaan.

Sluiten