Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking van art. 7 der wet van den 27sten September 1841 {Staatsblad n'. 35).

De bepalingen van art. 10, 11 en 12 worden gevolgd ten opzigte der aan de houders te verleenen tegemoetkoming.

Art. 14.

Bovenstaande bepalingen kunnen alleen worden ingeroepen voor verliezen, geleden na het in werking komen van deze wet.

Zij, die, voor dat tijdstip, schriftelijk aanvrage gedaan hebben tot het bekomen van eenen nieuwen titel, om te vervangen eene der bij deze wet bedoelde soorten van schuldbewijzen, door of ten gevolge van brand, watersnood, schipbreuk of dergelijk buitengewoon toeval vernietigd, hetzij die schuldbewijzen al of niet zjjn begrepen geweest onder de aflossing of verwisseling van schuld, bepaald bij de wet van den 25sten Junjj 1844 (Staatsblad n°. 28), kunnen mede tot het genot der regten bjj deze wet bepaald worden toegelaten, met inachtneming der vormen daarbij voorgeschreven.

Indien de laatste houder der in het vorige lid bedoelde schuldbewijzen, binnen zes maanden na het in werking komen van deze wet, het verzoekschrift bedoeld bjj art. 2 indient, wordt de verjaring van de renten gerekend geschorst te zjjn geweest door het eerste verzoekschrift.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriele Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tilburg, den 30sten Mei 1847.

WILLEM.

Van wege den Koning,

De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings,

A. G. A. van Rappard.

Uitgegeven den elfden Junjj 1847.

De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings,

A. G. A. van Rappard.

Sluiten