Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Zij hadden reeds de eerste buien jachtsneeuw weerstaan, toen zij eindelijk, weder in de Batouw terugkeerden. Sigbert had veel last van jicht en Herebaeld was op de laatste wegen door Reri en Tjeerd op een baar van takken gedragen, want hij leed aan koortsen en uitputting.

Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapen berusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rïn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in 't voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.

Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.

Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jong-

Sluiten