Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een •sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over e \erre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:

,,'t Is toch een mooi land, jong, 't onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven smukker land is 't er niet."

Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.

Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is 't jong, t onze... nou spreek eens op jong, du bent zoo stil

Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.

„Ja vaer, smuk is 't zeker, maar daar aan den Rïn is 't ook met slecht. Als 't niet om du en moeder 'weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want 't eten was best vaêr, zeg zelf of 't eten niet best was?"

„Nou," riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meet brouwen ze nergens. Wat was dat zuiver brouwsel."

„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie 'ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als 't groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeèl sal du drinken en weer sterk worden... Du moet met zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook 't middel om altijd gezond te sin Weten wi niet Tjeerd?"

Sluiten