Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sigbert stond stil en luisterde.

„Neen jong!"

„En du Reri, hoor di niks?"

„Wat zou 'k hooren in de sneeuw!"

,,'t Was me of 'k een horen hoorde "

Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.

„Dat 's Tjeerd!" riep Reri.

„We moeten hem helpen daar is onraad vader

Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra 't gaat."

„Ik blijf bij mijn kind," zei Sigbart vastbesloten.

„Tjeerd i" Jijn kind ook."

„Ga du naar Tjeerd ik blijf hier."

Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat 't hem niet bij 't gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij 't op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal — nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.

„Hier ben ik!" riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit't dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.

„Gauw, gauw haast-di Tjeerd zond mij uit

De Dantubaren zijn gekomen en hebben 't graan geroofd en de hutten in brand gestoken.... Gauw, gauw.... Tjeerd vecht met de mannen van 't dorp mee.... maar er zijn er zooveel, zooveel "

„Voer me jongen, voer me!" zei Reri. Hij hield zijn

Sluiten