Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is dat waar?" vroeg hij ernstig.

„Waarom zou ik di beliegen ik heb di toch lief..."

„Hoe ziet hij er uit "

„Een lange, groote man in een bruine pij, met een groot hoofd, een langen grijzen baard tot op zijn voeten afhangend. Midden in 't hoofd, boven den neuswortel is een groot, driehoekig, bruin oog, dat straalt als een ster."

„Kunt di hem mi toonen?"

„Nee hoe zou ik dat? Ik zie hem niet altjjd en

alleen in mijn verrukking "

Sogol dacht even na. Zij bleef hem kalm beschouwen, wachtend op zijn woord.

„Komen de voorspellingen uit, die du in dijn verrukking zegt."

„Vaak."

„Dus niet altijd?"

„Neen niet altijd ...."

„Dus vergist Wotan zich dan?"

Zij zweeg nu een oogenblik en dacht na Hij lette er

niet op en ging, zonder haar antwoord af te wachten, voort:

„Als de goden niet alles weten, weten zij niets.... Ik zal di zeggen, waar dijn Wotan huist, hij en al de

anderen Thius, Donar, Balder, Rekwa, Freia, Volla,

Snitgunts, Sunna, Auva, Nerthus, Nehalennia, de Asen, de Nevelingen, de Walkuren, de Zwanemeiden, allen, allen, de mannen en de vrouwen, de groote en de kleine

geesten Zij huizen in het hoofd van de menschen, hier

achter "

Hij sloeg zich met zijn vuist tegen 't voorhoofd, als WJlde hij in toorn uit zijn hoofd de verbeeldingen bannen... „Wij zijn allen lafaards.... kloek in 't gevecht van man tegen man met 't zwaard, maar schichtig als paarden, zoodra er iets is, dat wij niet kennen. Aan 't domme vee

zijn wij gelijk neen erger want 't vee graast en

is tevreden en vraagt niet verder. Maar wij, wij zelve

Sluiten