Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. 's Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in 'tgat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in 't ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.

De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Yèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.

De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar 't Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over 't eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij 't schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in't noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de

G ER MAMA II. ,

Sluiten