Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.

. De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zy blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.

Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele

Sluiten