Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.

De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in 't hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in 't gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen hadden onstoken oogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. By twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een

Sluiten