Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:

„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan ...,"

Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:

„Du kent den weg .... Loop vooruit."

Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:

„Kent di den weg niet meer?"

„Ja heer nikker hier moet de ingang zijn.... bij

deze berken ...."

Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.

„Ga voor!" zeide hij tot het wezen.

Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.

„Heer nikker," zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker."

Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.

Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok bij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,

Sluiten