Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was door 't schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was 't water op 't harige lichaam bevroren.

Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.

„Kom mee," beval hij.

Weer daalde hij in 't ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, diie, zes, acht.... twaalf.... vijftien .... tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht

„Dat krijgen we zoo nooit weg!" meende Baldei.

„Neen wij moeten de jol kapen kom mee "

Zij solbeden naar 't hooge voordek, sjorden de jol los ... droegen haar dwars over het skig naar 't achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom 'tging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op 't water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol...

Toen de vijf en twintig leerenzakken met graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in 't water.

Reri liet zich langs Baldei afglijden, hielp Baldei bij 't afzakken en nu wierpen de vier zich in 't water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door 't berenvet, voelde de krampen komen.

De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.

Sluiten