Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar 't pad smaller werd, achter elkaar loopen.

Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.

De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om eiken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.

Reri drong zich naar voren.

„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan," zeide hij. „In 't donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen."

De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.

„Wat 's dat?" vroeg Sigbert.

Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.

„Hoe smaakt het?" vroeg er een.

„Als fijne weite, maar nog zoeter."

„Zit er honing in?" vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.

„Proef zelf," zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.

Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen

Sluiten