Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.

En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er 't genot van te hebben.

Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.

De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:

„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?"

„Grendeldebliksem!" stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten ?"

De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.

„Sakshoofd ... wi hebben honger ... En met wild zoeken gaat de tijd weg... Dat honinggraan is toch niet om te zaaien ... Laat ons dat nu opeten ..

„Ja, laat ons 't honinggraan opeten," riepen anderen.

„Hier met het honinggraan!" riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.

Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.

„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!" riep hij.

Sluiten