Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.

„Gaat di mee Tjeerd... sporen zoeken?"

„Eerst eten ..

Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.

Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.

„Ik had honger, vaer!" zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.

„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten ... Ga mee met dijn broeder..

De twee liepen 't kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, de eenigste van allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.

„Als 't voorjaar wordt, moet-ie koning worden!" zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer Hij moet koning worden."

Tjeerd spuwde de restjes van 't graan uit zijn mond en rilde met 't hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.

Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in 't hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.

Sluiten