Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat denkt di, Reri?" vroeg Tjeerd.

„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in 't winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is 't vuur 's nachts, toen ze den steen al voor 't gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt... Wat zei ik di... hier ligt er nog een ... die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen... maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad.

Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad ?

Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op 't slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.

Zijn honger dreef hem om in 't stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan 't schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andere Batonwers naderden.

Sluiten