Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten."

Meteen pakte Sogol 's mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.

„Heer, laat mi los... Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die 't daglicht niet kan verdragen."

„Verdraagt di dit beter?" vroeg Sogol, 's mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.

En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in 't zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.

„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen."

„Wat ligt daar?" vroeg Sogol.

„Ik weet niet, heer?"

„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?"

Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in 't water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.

Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar 't ondergrondsche meer.

„Wat zijn dat?" vroeg hij.

„Ik weet niet, heer!"

„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.... het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!"

„Heer, geloof mi... het is niet zoo... ik ben een eerlijk man."

Sluiten