Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O vriend... hoe gelukkig ben ik, dat du bent weer- ' gekeerd ... Ik voelde mij zoo beklemd ..."

„Hier is de kabouter," zei Sogol, het lichaam zacht op 't mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is."

„Ik ken den man... dat is Wieland, de runenkenner..."

„Dan begrijp ik alles!" zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord ?"

„Heeft hij menschen vermoord?" vroeg Harimona.

„Ja... het hol ligt vol geraamten en doodshoofden..." '

„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag."

„Dat is waar," zeide Sogol.

Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.

„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken."

Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.

Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.

„Waar vinden wij een urn?" vroeg Harimona.

„Daar binnen staan er verscheidene ..."

„Wilt du di nogmaals er in wagen?" vroeg Harimona angstig.

„Waarom niet?... Of hebt di weder voorgevoelens?"

„Neen, nu niet..."

„Kom mee Haun!" beval Sogol... Maar hij bedacht zich.

„Neen... 't is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona."

Sluiten