Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„lk weet het niet prins... Du zegt, du twijfelt niet... maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren... In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde ... waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen... Leegte prins ?... Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte... maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld... mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?..."

Hij sloeg zijn armen om heur hals, kustte haar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij :

„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen... o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel... Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst... Want ik weet niet... ik weet niet... o Wot! Wot 1... ik weet niet... ik weet niet!"

Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:

„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is ? Zie, hij in deze urn... hij

weet Zoudt di reeds zijn willen zooals hij Is er

niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door eikaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?"....

Sluiten