Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden ..,. Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden....

Toen 't vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en

de honden Met zijn grootvader was hij er langs geloopen,

hij was nog een knaap geweest, maar hij had 't gruwelijke

te dieper gevoeld omdat daar zooveel knapen en oude

mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met

de vuist verkoold omhoog

Grendeldebliksem wee wanneer de Fries de Batouw

zou binnenvallen Ja, du kan dijn man staan en di

verweren,, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden

En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht

en te bidden tot Wotan „Groote Wot, spaar ons voor

den oorlog.... drie vaarzen zal ik di offeren.... drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de

schoften en niet op de borst Groote Wot, spaar ons

voor de Frisen "

Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:

Nerthus zal di garen,

Nerthus zal di baren,

en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen

Sluiten