Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschto, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.

De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen 's nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.

Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die eikaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.

Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.

Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op het Ding de rechten van den

Sluiten