Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in 't been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.

Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in 't bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.

Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.

Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.

Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met

Sluiten