Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.

De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.

Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.

Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in 't donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.

„Vrij!" zuchte hij.

Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in 't verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.

Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in 't donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.

Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.

Sluiten