Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heer, is di onze zang niet aangenaam ?"

„Noch dijn zang, noch dijn wezen!" antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.

Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.

Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.

Sogol hield zijn paard in.

„Wat deert di?" vroeg hij.

„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!"

„Draag hem hier!" beval Sogol.

Hij steeg af van 't paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.

Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.

Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in t lid. Toen gebond hij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.

„Zal hij genezen ?" vroeg de moeder.

Sluiten