Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:

„En waar blijft de sproke op Gise!"

„Heer, antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?"

„Heer," antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij."

„Heer, antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer."

„Ondankbare!" vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!..

De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in 't midden, Hamm en Hann terzijde.

De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.

Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:

Dit is eens konings honk. Hij at, dronk en stonk.

Sluiten