Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII.

Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor 't vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den d\jzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riemwrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.

Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.

Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.

Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in 't halfduister zaten te weven.

Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.

Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den

Sluiten