Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard „Zou ik niet ?" vroeg Sigbert.

„Zoon vaêr als du bent, hebben d'r weinig!" meende Ken. „Ik zal 'm vandaag een zetje geven, vaêr!" voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in 't zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken. „Heil zij de aarde, de menschenmoêr!" riep Sigbert luid. Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.

„Heil zij de aarde, de menschenmoer!" riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.

Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.

Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.

Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar het tweede brok brood.

De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.

„Zal ik 't brood boomen?" vroeg Sigbert.

„Loop kerel. Ik kan d'r nog best méé, hoor!" en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in 't zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend •

„Vort!"

Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om 't zee. en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.

„Grendeldebliksem!" stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is 't dijn bedrijf 'weest," verweet hij haar.

Sluiten