Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze toe en in 't voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.

Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder 't oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.

Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.

Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.

Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.

Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.

Sigbert was 't eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.

„Gaat naar huüs kinderen!" zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!..

Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.

,,'t Was bestig hoor. En als 't trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben."

De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen

Sluiten