Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.

En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.

„Vórt Reri.. . laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag....

Die was van jou slag, Reri as 't gemeten zou worden

een handbreed hooger "

En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in 't gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.

Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van 't knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.

En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.

Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skaldeeilanden, Friesche sandalen voor Swanehild en een bronzen oorijzer.

Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei

Sluiten