Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijne moeite; dit zou mijn deel zijn voor al mijne moeite.

11. En nu wendde ik mij naar al mijne werken, die mijne handen gemaakt hadden en naar de moeite, die ik aangewend had om iets te maken en zie, alles was ijdelheid en jacht naar wind; er is niets voortreffelijks onder de zon.

12. En ik wendde mij om te beschouwen wijsheid, onverstand en dwaasheid. Want wat zal de mensch doen, die na den koning komen zal? — Wat men reeds gedaan heeft. 13. En toen zag ik. dat de voortreffelijkheid der

wijsheid boven de dwaasheid zoo groot is als de voortreffelijkheid

11. WJ31, toen ik mij wendde, 'ïyyo ^23 en al mijne handelingen overzag, bleek alles ijdelheid. J1HV J'JCl. Cf. i, 3, □inS jnn1 no

12. Dit vers baart den commentatoren veel moeite, althans het tweede gedeelte. —W321 wordt door de meeste verklaarders opgevat: * En ik wendde mij nu orn te zien het verschil tusschen wijsheid en dwaasheid," en sluit dan zeer goed aan de volgende verzen. Doch wat beteekenen de woorden Hn2'p--,3 ? Het meest waarschijnlijk is, dat Koheleth bij het stellen van bovengenoemde vraag reeds aan zijn opvolger dacht, waarover hij in vers 18 en v. uitweidt. De zin is dan: Wat zal de mensch, die na den koning (d. i. na mij), komt, doen? Zal hij, evenals ik, ook alles met wijsheid onderzoeken of zich onbewust werpen in de armen van het genot, zonder nadenken en zonder op eenig doel te letten ? En het ontmoedigende antwoord is dan: inVw'i? ")33 Tw\\' üJC (waarschijnlijk) zal hij doen, wat men reeds gedaan heeft; hij zal niet voortbouwen hetgeen ik reeds door mijn verstand verkregen heb, maar zal zwelgen en genieten, zich geheel overgeven aan de dwaasheid en alzoo mijn werk vernietigen.

Raschie en Raschbam, ook Targutn vatten deze woorden aldus op : AVant wat geeft het den mensch, wanneer hij zich wendt tot God om genade, nadat zijn vonnis reeds is geveld en zijn straf reeds is bepaald ? Dan immers is geen herstel meer mogelijk en het is ijdelheid om genade af te smeeken na de uitspraak van het vonnis. Zij vatten dus "]Scn op als God. De uitdrukking "]Son ■HUN NIO'C in de beteekenis: zich tot God wenden is zeker zeer vreemd.

Sluiten