Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en den stand van de deelen die dan van de doos zouden overblijven. Zij zijn door de spleten k k van elkaar gescheiden en rusten op glazen voetjes, maar P is door een metaaldraad in blijvend verband met R, en eveneens Q met S. Men heeft dus twee vaste geleiders, de „quadrantenparen" PU en QS, die in verband gebracht kunnen worden met de voorwerpen van welke men de potentialen wil vergelijken. De bewegelijke con- \ ductor is een aluminiumblad ctbcdvan den in de figuur aangegeven vorm, dat aan een in zijn middelpunt O aangebraehten isoleerenden draad, of aan twee dergelijke draden (§ 190) zoo is opgehangen, dat het een horizontalen stand heeft en dus in zijn eigen vlak kan draaien. Het middelpunt van deze „naald" valt samen met dat van den cilinder P Q R S en in den evenwichtsstand loopt de lange symmetrieas van abeel evenwijdig aan een der spleten k k. Op een of andere wijze wordt de naald tot een hoogen potentiaal geladen, zoodat er, daar de quadranten bij het gebruik altijd een lageren potentiaal hebben, krachtlijnen van abcd naar de quadranten zullen loopen. Deze krachtlijnen hebben een vrij ingewikkelden loop, maar zij zullen voor een groot deel van den rand a naar het daartegenover liggende deel P van den cilindermantel loopen, en eveneens van b naar Q, van c naar S en van d naar R.

Zijn nu de twee quadrantenparen op denzelfden potentiaal — waarvan men zich verzekert door ze met elkaar in verband te brengen dan zal op de vier genoemde plaatsen hetzelfde electrische veld gevonden worden; de spanningen langs de krachtlijnen werken even sterk op a en d als op b en c, en de naald blijft in zijn evenwichtsstand. Anders wordt het, zoodra een potentiaalverschil tusschen P R en Q S bestaat. Is b. v. de potentiaal van PR hooger dan die van QS, terwijl de naald een hoogen positieven potentiaal heeft, dan overtreft het potentiaalverschil tusschen de naald en QS dat tusschen de naald en P R. Derhalve vindt men tusschen b en Q, en 6' en S een grooter potentiaalverval, en een grootere spanning langs de krachtlijnen, dan tusschen a en P of d en R„ Op de naald werkt dan een koppel in de richting der pijlen

Sluiten