is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in een punt buiten het vlak v;in den cirkel, maar op de as liggende, kan men de veldsterkte gemakkelijk berekenen. Wij verbeelden ons b. v. bij Fig. 411, een dergelijk punt Q vóór bet vlak der teekening op een afstand l van de punten van den cirkel. Den straal van dezen blijven wij r noemen en wij stellen den hoek dien de uit ti naar een punt van den

cirkel getrokken lijn met de as maakt, door ij/ voor, zoodat sin * = 7is

Verdoelen wij nu den eirkel in oneindig kleine gelijke deelen, elk met de lengte <r, dan brengt elk daarvan in Q een magnetische kracht

ia I / 0" I

ïvp LtJ

teweeg. De vectoren die deze krachten voorstellen, zijn gelijkmatig verdeeld over het oppervlak van een kegel met Q, tot top en den halven tophoek 90° — <]/. Daaruit ziet men dat hunne resultante langs de as gericht is. De grootte II daarvan wordt gevonden door eiken vector op de as te projecteeren en al de projecties bij elkaar op te tellen. Men vindt dus de som van al de uitdrukkingen

i* , ir a r~ ir a ~i

4t/2 sm*~ [_ p J» -S[H-•-¥!] <10>

Voor de werking van een kringstroom van willekeurige gedaante op groote afstanden geldt een regel dien het van belang is te kennen; de magnetische werking blijkt nl. des te grooter te zijn, naarmate het door de winding begrensde oppervlak een grootere uitgestrektheid heeft.

Men ziet dit b. v. voor het geval van een cirkelvormige winding hieraan, dat in formule (10) de tweede macht van den straal voorkomt.

Om deze stelling op te helderen, vergelijken wij vooreerst de werking der beide in Fig. 417

voorgestelde rechthoekige geleiders a b c d en abc d'. Die van den eersten is zeer klein, daar de draden ab en cd dicht bij elkaar liggen en in tegengestelde richting door den stroom doorloopen worden; de werkingen die van deze zijden van den rechthoek uitgaan, zullen elkaar bijna opheffen, terwijl de werking van b c

en ad zeer klein is omdat die zijden zoo kort zijn. De resul-