Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men zal zonder moeite de overeenkomst opmerken tusschen dit alles en de wetten voor de beweging van vloeistoffen in nauwe buizen (§ 213). Er is echter één punt van verschil. Bij die beweging ondervindt de vloeistofmassa in zijn geheel genomen alleen aan den omtrek een weerstand. Bij de strooming der electriciteit moet men zich daarentegen voorstellen, dat hij overal in den draad, ook in het binnenste, door de metaalmolekulen wordt tegengehouden met een kracht die men met de wrijving kan vergelijken en die door het potentiaalverschil moet worden overwonnen. Een gevolg hiervan is, dat wanneer men een geleiddraad in gedachte in twee naast elkaar liggende draden, elk met de halve doorsnede, verdeelt, de electriciteitsbeweging in de eene helft onafhankelijk is van die in de andere helft, iets, waaruit men het boven onder c gezegde kan afleiden.

§ 502. Wet van Olim voor een enkelen geleiddraad. Om het onderscheid aan te duiden, dat wij in de vorige § tusschen verschillende geleiders leerden kennen, zegt men dat de een aan den stroom een grooteren weerstand biedt, of dat hij een kleiner geleidingsvermogen heeft dan de andere. Als • maat voor dit laatste neemt men de stroomsterkte die in den geleider bestaat, wanneer het potentiaalverschil tusschen de uiteinden = 1 is, en als maat voor den weerstand het potentiaalverschil dat noodig is, om een stroom van de intensiteit 1 te onderhouden. Stellen wij het geleidingsvermogen door k en den weerstand door r voor, dan zal dus, als de potentialen aan de uiteinden van den geleider V, en V2 zijn, de stroomsterkte bepaald worden door

e = /c(V, — Y2), (20)

of

. V, - V2

»= r (21)

De in de laatste formule uitgedrukte regel is als de icet van Ohm bekend.

§ 503. Eenheid van weerstand. Soortelijke weerstand van een geleider. Blijkens het bovenstaande is de eenheid van weerstand de weerstand dien een geleider moet hebben,

Sluiten