Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaald. Zij kan bij kleine temperatuurverschillen evenredig daarmede geacht worden.

d. Om de besproken verschijnselen te verklaren kan men zich b. v. voorstellen dat de warmtebeweging aan de contactplaats van bismuth en antimonium de electriciteit naar het laatste metaal drijft, en wel des te sterker, naarmate de

temperatuur hooger is. Zoo lang dan de soldeerplaatsen P, en P2 (Fig. 439) op denzelfden warmtegraad worden gehouden, bestaan de twee gelijke door de pijlen voorgestelde electromotorische krachten, die elkaar opheffen. Verwarming van P, of P2 verstoort dit evenwicht.

e. Bij elke bepaalde temperatuur voldoen intusschen de potentiaalverschillen aan de regels van § 473, a, b en c. Daaruit leidt men belangrijke gevolgen af voor ketens die uit meer dan twee metalen zijn samengesteld. Vooreerst heften de electromotorische krachten elkaar altijd op, zoolang alle soldeerplaatsen op een zelfde temperatuur ta, welke dan ook, worden gehouden. In de ticeede plaats zal verwarming van slechts één aanrakingsplaats — stel van de metalen A en B — tot de temperatuur tu terwijl alle andere op de temperatuur t0 blijven, een residteerende electromotorische kracht geven, even groot als men zou hebben, wanneer, met weglating

van alle andere metalen, A en B elkaar ook nog bij de temperatuur t^ rechtstreeks aanraakten, zoodat men maar txcee contactplaatsen had, beide tusschen de metalen A en B, en met de temperaturen t0 en tj.

Ter opheldering kan de in Fig. 44(J voorgestelde thermoelectrische naald dienen. Deze bestaat uit twee in P vereenigde draden van verschillende metalen A en b — b.v. van ijzer en constantaan —, die in Q en E aan koperdraden gesoldeerd zijn, welke met een galvano¬

meter verbonden worden. Hebben nu de punten Q en R een zelfde temperatuur ta, b.v. die van de lucht of van een om-

Fig. 439.

.4

Sluiten