is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzoek heeft aangetoond, de in §§ 555—557 voorde inductiestroomen gegeven regels altijd doorgaan, mits men steeds van het aantal magnetische inductielijnen spreekt. Is N het aantal van deze lijnen die door een geleidenden kring gaan, dan wordt de electrische icerking in den kring bepaald door

_ eTN dt '

en wanneer het aantal inductiélijnen van iY, tot N2 verandert, heeft de totale inductiestroom de sterkte

\ (Nï N,).

Met behulp hiervan kan men gemakkelijk voorspellen wat er zal gebeuren, wanneer eerst in een klos waarom heen een of meer secundaire windingen gelegd zijn, een stroom wordt gesloten, vervolgens een ijzeren kern in de klos wordt gestoken en eindelijk de stroom wordt verbroken. Het aantal inductielij nen dat door een secundaire winding gaat, wordt dan eerst j O [4 irj O], vervolgens vjO [4t^^'OJ en eindelijk nul. Er zijn dientengevolge drie inductiestroomen ontstaan, waarvan de intensiteiten zich verhouden als 1, (i — \, en n, en waarvan de derde tegengesteld gericht is als de beide eersten. Drie stroomen van dezelfde sterkte krijgt men, als men nu eerst den stroom in de klos sluit, dan de ijzeren staaf er uit wegneemt en eindelijk den stroom verbreekt.

Wanneer men, nadat de stroom in de klos gesloten is, in plaats van er een ijzeren staaf in te steken, er zuurstof in laat stroomen, zal dit eveneens een, zij het dan ook uiterst zwakken inductiestroom ten gevolge hebben, in dezelfde richting als de stroom dien wij bij het insteken van het ijzer kregen. Brengt men echter een bismuthstaaf in de holte, dan heeft dit een tegengestelden inductiestroom ten gevolge.

Dergelijke werkingen hebben plaats, wanneer men een permanenten magneet, zooals die van Fig. 454, halverwege in een draadwinding steekt, waarin hij juist past. De dan opgewekte inductiestroom beantwoordt aan het aantal inductielijnen die door de middelste doorsnede van den magneet

n 32