Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loop der inductielijnen in het veld heeft. Zij loopen niet meer van links naar rechts door, maar buigen zich naar het ijzer toe, loopen daar over zekeren afstand doorheen, en spreiden zich aan de rechterzijde, nadat zij de staaf verlaten hebben, weer uiteen. Men kan dit uitdrukken door te zeggen dat de inductielijnen hun weg bij voorkeur door het ijzer zoeken en dientengevolge daarin opeengedrongen worden.

Hierdoor kan men den inductiestroom verklaren, die ontstaat als in het magnetisch veld der aarde een winding of een klos, met de as in de richting der krachtlijnen geplaatst is, en vervolgens een ijzeren staaf daarin wordt gestoken; dan gaan nl.de lijnen voor een grooter deel door de windingen. Plaatst men daarentegen de staaf in dezelfde richting naast de klos, dan ontstaat een inductiestroom, tegengesteld aan den vorigen; juist omdat een zeker aantal inductielijnen zich zoo krommen, dat zij door het ijzer loopen, wordt de dichtheid dezer lijnen naast het ijzer, dus in de klos, kleiner.

Dat in beide gevallen het wegnemen van de staaf een inductiestroom geeft van tegengestelde richting als de eerst opgewekte, behoeft nauwelijks nog gezegd te worden; in het algemeen hebben tegengestelde verplaatsingen ook tegengestelde inductiestroomen ten gevolge.

De inductielijnen worden des te meer in het ijzer geconcentreerd, of geven aan den loop daardoor heen des te meer de voorkeur, naarmate ,<* grooter is. Daarom noemt men dezen coëfficiënt de magnetische permeabiliteit, liad men in plaats van een ijzerstaaf een staaf van het diamagnetische bismuth

in het oorspronkelijk homogene veld gebracht, dan zouden in die staaf de lijnen iets minder dicht bijeen loopen dan eerst in de lucht.

Ook wanneer de staaf scheef staat met betrekking tot de krachtlijnen in het homogene veld (Fig. 456), loopen de inductielijnen voor een groot deel door de staaf heen, er

nabij het uiteinde A in- en aan het andere einde B weer

Sluiten