Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefent. Op een dergelijke wijze moet men zich de aantrekking voorstellen die het staafje a b van Fig. 458 van de magneetpool N waar het aan hangt, ondervindt.

Een merkwaardig verschijnsel doet zich voor, wanneer men zooals de figuur doet zien, nu een tweeden magneet Q van geschikte sterkte met zijn zuidpool Z boven N brengt. Het staafje a b valt dan van de pool af. De verklaring hiervan is deze, dat de inductielijnen, die in P naar rechts en in Q naar boven gericht zijn, nu rechtstreeks

van P door Q verder loopen, en niet meer, zooals eerst, voor een deel door het ijzerstaafje gaan. Dit verliest dus zijn magnetischen toestand, en wordt niet meer door N aangetrokken.

In Fig. 459 en 460 is door de pijltjes de loop aangegeven, dien de inductielijnen hebben in een rechthoekig omgebogen

staaf ABC, die tegen een noordpool N wordt geplaatst, of in een cirkelvormig plaatje A B met zijn midden nabij een magneetpool N geplaatst. Men begrijpt dezen loop gemakkelijk < als men bedenkt dat de inductielijnen een neiging vertoonen over een groote lengte in het ijzer te blijven. Zij verlaten de staaf ABC voornamelijk bij het uiteinde C, het plaatje daarentegen aan den omtrek A B. Op deze plaatsen is er dus noordmagnetisme, terwijl het zuidmagnelisme wordt gevonden aan het linker einde van de staaf en in het midden van het benedenvlak van het plaatje.

Vervangt men in het geval van Fig. 457 de staaf A B door

Sluiten