Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van arbeidsvermogen uitdrukt. Vermenigvuldigen wij nl. met ir dt, dan komt er

i2rdt —ïïidt — L idi.

Hierin is (§ 524) E i d t de arbeid dien de electromotorische kracht in den tijd d t verricht, en ï1 r dt (§ 525) de in dien tijd ontwikkelde warmte. De term L idi moet dus de toename van het magnetische arbeidsvermogen voorstellen. Nu kan men voor dien term ook schrijven de aangroeiing van J L P (§ 40, a) en het blijkt derhalve dat gedurende den eersten tijd na het sluiten van de keten, in elk tijdselement de waarde der magnetische energie met hetzelfde bedrag toeneemt als deze laatste grootheid. Daar nu eerst, toen er nog geen stroom was, zoowel de uitdrukking j L ï1 als de magnetische energie 0 waren, kunnen wij besluiten dat op elk oogenblik, wanneer de stroomsterkte i is, het arbeidsvermogen van het magnetisch veld door 1 L ï1 wordt gegeven.

Met behulp van den coëfficiënt L kan men ook gemakkelijk den totalen extrastroom aangeven, d. w. z. de geheele hoeveelheid electriciteit die bij het sluiten van de keten, ten gevolge van de zelfinductie door een doorsnede gevoerd wordt. Verstaat men onder i de stroomsterkte die aan de electromotorische kracht E beantwoordt, en die ten slotte bestaat, dan is de geheele verandering van het aantal inductielijnen L i en

L i

dus (§ 564) de bedoelde hoeveelheid electriciteit —.

§ 573. Waarde van den coëfficiënt van zelfinductie. Magnetisch arbeidsvermogen per volume-eenheid. In eenvoudige gevallen kan men den coëfficiënt van zelfinductie gemakkelijk aangeven. Wanneer b. v. in een lange klos met ijzeren kern en met n windingen per lengte-eenheid, een stroom i bestaat, dan is, zooals wij weten, de veldsterkte binnen de klos

H = n i [H = 4 sr n ï\, (19)

en dus de magnetische inductie

B == ia n i [B = 4 t n n i] . . . . (20)

Het aantal inductielijnen dat door een winding gaat, bedraagt dus pniO [4 5r n n i O], als O het oppervlak van een

II 33

Sluiten