Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, ftth Oi, (~4 TT ^ ?i, O z,"]

van den pnmairen draad heengaat, —-j I j I,

daar evenveel lijnen door een secundaire winding loopen, is het geheele aantal lijnen dat door de secundaire keten omvat

wordt, ^ H' 'I' °h- Hieruit volgt voor den

gezochten coëfficiënt

M_»Sjho . . m

Deze formule geldt ook wanneer zoowel de primaire als de secundaire draad op een ijzeren ring zijn gewonden; onder l moet men dan den omtrek van den cirkel verstaan, die door de middelpunten der windingen loopt. Het verdient verder opmerking dat de waarde van M niet verandert wanneer men n en n2 met elkaar verwisselt, d. w. z. wanneer men de rol van de beide draden verwisselt. Dit is een bijzonder geval van een algemeene stelling, die wij hier echter zonder bewijs moeten vermelden. Wanneer wij nl. bij twee willekeurige ketens de tweede, die straks de secundaire was, voor de primaire nemen, worden de inductiewerkingen die deze op de eerste keten uitoefend, bepaald door een zekeren coëfficiënt M', evenals straks de werking van M afhing. Men heeit nu altijd

M = M', . (26)

of in woorden: Het aantal inductielijnen, die door de tioeede keten gaan, wanneer in de eerste een stroom met de sterkte 1 bestaat, is even groot als het aantal lijnen dat door de eerste keten omvat wordt, als de tweede door een stroom van de sterkte 1 icordt doorloopen.

Wegens deze gelijkheid noemt men M of M' den coëfficiënt van wederkeerige inductie.

Daar deze coëfficiënt van den onderlingen stand der stroomgeleiders afhangt, verandert hij zoodra de eene geleider ten opzichte van den anderen verplaatst wordt. Met behulp van die verandering kan men aangeven welke wijziging het door een kring omvatte aantal krachtlijnen bij een verplaatsing ondergaat, en dus ook welke inductiewerking daardoor wordt teweeggebracht. Ook kan men met behulp van het in § 553

Sluiten