Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en d betreft, niet bij past. De twee eerste windingen worden dus gedreven naar een plaats waar er meer inductielijnen doorheen loopen en de twee laatste naar een plaats waar er minder van die lijnen doorheen gaan. Houdt men nu in het oog dat het aantal inductielijnen die door een winding gaan, het grootst is wanneer deze bij A of C staat en het kleinst wanneer hij zich bij P of Q bevindt, dan zal het duidelijk zijn dat op de vier windingen krachten werken, waardoor zij in de richting der groote pijlen worden voortgedreven.

Wat van een der windingen a, b, c, d gezegd werd gaat ook door voor de andere die zich op hetzelfde vierde deel AP, PC, C Q, Q A van den ring bevinden, en zoo werkt op dezen laatsten een koppel dat hem in de richting der groote pijlen ronddraait.

Wij merken op dat de wijze waarop de ring wordt bewogen, eenige overeenkomst vertoont met die, waarop in den galvanometer van Depkez—d'Arsonval de ijzeren cilinder, als hij met het klosje kon meedraaien, een afwijking zou krijgen. Dat nu echter een beweging ontstaat, die voortdurend in dezelfde richting voortgaat, is hieraan te danken, dat op het oogenblik waarop een winding het punt A of het punt C passeert, de stroom in die winding wordt omgekeerd.

b. Het is nu ook gemakkelijk in te zien dat men door den ring te draaien een electrischen stroom kan opwekken, die in een sluitdraad tusschen A en C voortdurend in dezelfde richting loopt. Stel dat de beweging van den ring tegengesteld is aan de groote pijlen in onze figuur. Dan neemt het aantal inductielijnen dat door de windingen « en c gaat, af, en het aantal dat door b en d loopt, toe. In de eerste windingen is er dus een electrische werking in een richting die past bij die der inductielijnen, in b en d daarentegen een werking die niet bij de richting dezer lijnen past. De opgewekte stroomen hebben dus de richtingen der kleine pijlen; zoowel in de rechter als in de linker helft der draadwindingen, wordt de electriciteit voortdurend van A naar C gedreven. Zijn deze polen niet met elkaar verbonden, dan krijgen zij een potentiaalverschil, zoo groot dat het met de genoemde

Sluiten