is toegevoegd aan uw favorieten.

Eindexamens der Hoogere Burgerscholen, 1866-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Hoe groot zou die kracht moeten zijn, als er alleen wrijving met den grond was, terwijl daarvan de wrijvingscoëfficient gegeven is 0.5.

a. De ladder AB (fig. \) rust met haar ondereinde A op het horizontale vlak AD en steunt met haar boveneinde B tegen den verticalen muur DB. Het zwaartepunt C van de ladder ligt op »/, harer lengte vanaf

haar ondereinde, zoodat AC ^ AB is.

De ladder is in evenwicht onder de werking van vier in een zelfde vlak gelegen krachten, te weten:

1°. haar gewicht G 150 K.Q., aangrijpende in haar zwaartepunt en loodrecht naar beneden gericht.

2°. de reactie R. van den muur tegen het boveneinde B der ladder, loodrecht op den muur en, als in de figuur aangegeven, gericht.

3". de reactie R1 van den horizontalen bodem legen het ondereinde A der ladder loodrecht naar boven gericht en

4». de gezochte horizontale kracht P, welke men tegen het ondereinde der ladder moet aanbrengen om het uitglijden te beletten.

Wanneer er evenwicht is, voldoen de krachten aan de voorwaarde dat zoowel de algebraïsche som harer projecties op een willekeurige lijn als de algebraïsche som harer momenten ten Opzichte van een willekeurig in haar vlak gelegen punt gelijk nul is. Door de algebraïsche som van de projecties der krachten op een horizontale lijn gelijk nul te stellen, vindt men P = R en door de algebraïsche som der momenten ten opzichte van het punt A gelijk nul te stellen, komt men tot R X BD - Q X AE = 0.

Nu is in deze laatste betrekking R = P, AE = AC cos 30» = —

1 3

AB cos 30° -= -g ABF3 en BD = AB sin 30<> } AB.

Men heeft dus:

AE 6~AB

p = R = BD X O = X G = 2 G ]/ 3.

of daar G = 150 K.G. is:

P = 50 J/TK.G.