Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft dus:

_ sin oc - f cos a p _ 0.16873 Ql "" sin B + f sin B 0.10950 X

„ n _ sin oc + f cos oc _ 0.17857 w _ en Ql - sin B -f «iiiB P ~ 009956 X 500 ~ '

Zoolang dus Q niet kleiner is dan 770 K.G. en niet grooter dan 897 K.G. maakt ae iast Q evenwicht met den last P.

KL. en Wr.

1888. No. 2.

Een homogene over zijne geheele lengte even dikke balk rust niet het eene eind op een horizontaal vlak, met het andere eind tegen een hellend vlak, dat met het horizontale een hoek van 60° maakt. Men vraagt den kleinsten hoek te vinden, dien de balk met het horizontale vlak maken kan, om in evenwicht te zijn.

Op het hellend vlak is geen wrijving; de wrijvingscoëfficient op het

horizontale vlak is '/» ' 3.

Noemen wij oc den kleinsten hoek, dien de balk AB (zie figuur) met het horizontale vlak maken kan, zonder dat het evenwicht verstoord is. Bij dien stand van den balk zij de reactie van het hellend vlak tegen het eind B van den balk R en de verticale reactie van het horizontale vlak tegen het eind A van den balk R'. De wrijvingsweerstand, welken dit eind A van den balk ondervindt, is dan, omdat de balk op het punt staat uit te glijden, gelijk fR1, wanneer wij door f den wrijvingscoëfficient voorstellen.

In den door ons beschouwden evenwichtstoestand, werken op den balk de volgende vier krachten: le. zijn gewicht, dat wij door G zullen voorstellen, aangrijpende in het zwaartepuni M van den balk, welk punt, omdat de balk homogeen en over zijn geheele lengte even, dit is, in het midden zijner lengte ligt, zoodat, wanneer wij de lengte van den balk _>

Sluiten