Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Q cos oc X BC — fi X AB + f, X BC X G cos oc of daar f, = — j 4

V 3, f, = 2 1/ 3, cos oc = cos 30° = 2 1/3, AB = 1 en BC = u, is gelijk: (i |/3Xl+y|/3X«)XjQK3={(l+2 «)

G. Deze arbeid moet als negatief in rekening gebracht worden daar de richting van den wrijvingsweerstand tegengesteld is aan de richting der beweging. Men heeft dus:

2 0 + ") X G ~ g (1 + 2 u) X G o of 4 (1 + u) — 3 (1 | 2 «) = o of z/ = BC = ^ Meter.

1897. No. 1.

Aan twee vaste in eene horizontale lijn gelegen punten A en B zijn twee gelijke cylinders, van straal R en gewicht G, opgehangen door middel vnn vier even lange koorden. Deze zijn bevestigd aan de uiteinden van de assen der cylinders, wier lengten gelijk AB zijn. (De assen liggen dus in eenzelfde horizontaal vlak en zijn evenwijdig met AB). Op deze cylinders rust een andere even lange cylinder van straal '/<> K. wiens as dus ook evenwijdig met AB is. Hoe groot moet het gewicht van den cylinder zijn, als de twee groote cylinders tengevolge zijner drukking juist op het punt. zijn uit elkaar te wijken, dus geen druk meer tegen elkander uitoefenen ? De koorden vormen bij ieder ophangpunt een hoek van 60°.

Sluiten