Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In A (zie figuur) wordt een veerkrachtige kogel, die 1 K.G. weegt, met een aanvangssnelheid van 6 M. per secunde onder een hellingshoek van 115° opgeworpen. De horizontale composante dier aanvangssnelheid

is 6 X cos 45° 3 1/2 M. per secunde.

In het hoogste punt zijner baan B heeft die kogel eene horizontaal gerichte snelheid v» welke gelijk is aan de horizontale composante zijner snelheid in A, dus v, = 3 1/ 2 M. per secunde. In B treft die kogel een anderen veerkrachtigen kogel, die 2 K.Q. weegt en die hangt aan den draad OB 2 M. Noemen wij de massa van den eersten kogel m, en die van den tweeden kogel m„ dan heeft men, omdat de massa's dier kogels

zich verhouden als hunne gewichten, "lj 2. De snelheid van den tweeden

mi

2 mi

kogel onmiddelijk na de veerkrachtige botsing is v, = m ^ v, =

2 . 2, v, 2 v, 1 X 3 1/ 2 == 2[/2 M. per secunde.

m, 1+2 3 i

m'

Onderstel dat de tweede kogel, die oorspronkelijk in B in rust is, tengevolge van de door de botsing verkregen snelheid den cirkelboog BC doorloopt en stellen wij den hoek BOC voor door oc. De massa m, van den tweeden kogel is, wanneer wij de versnelling van de zwaartekracht

door g voorstellen 2 daar die kogel 2 K.ü. weegt. De kinetische energie

1 1 2 / \ 8

van dien kogel onmiddelijk na de botsing is 2 m, vsJ = 2 X g X (2 V 2)' = g

In het punt C gekomen is de kinetische energie nul geworden, de kinetische energie onmiddelijk na de botsing is dus gelijk aan den arbeid, welke door de zwaartekracht verricht wordt, wanneer de kogel stijgt van het punt B tot het punt C of gelijk aan zijn gewicht van 2 K.G. maal den weg BD.

8 4

Uit de betrekking 2 X BD vindt men BD = ^ De tweede kogel

Sluiten