Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K.. en Wr.

1899. No. 3.

Een draadvierkant ABCD wordt, in het midden E der zijde AB, gedragen door een horizontale pen.

Gegeven zijn: het gewicht van het vierkant gelijk P gram en de wrijvingscoëfficient f.

Hoeveel bedraagt het grootste gewicht dat in het hoekpunt 1) aan het vierkant kan worden opgehangen, zonder dat dit over de pen begint te glijden ?

P = 40 gram; ƒ — 0.25.

Met draadvierkant ABCD (zie

figuur), waarvan wij de zijde door zullen voorstellen, wordt in het midden E zijner zijde AB gedragen door een horizontale pen. Omdat er wrijving bestaat tusschen de zijde <AB van het vierkant en de horizontale pen in E, kan een klein gewicht, dat wij door p zullen voorstellen, in het hoekpunt L) worden opgehangen, zonder dat het vierkant van de pen afglijdt. Wordt zulk een klein gewicht in het hoekpunt I) opgehangen, dan zal dit hoekpunt een lageren stand gaan innemen. Noemen wij den hoek welken na het ophangen van het gewicht p in D de zijde AB van het vierkant met de horizontale lijn EK maakt, oc.

In den evenwichtstoestand werken op het draadvierkant de volgende krachten: le zijn gewichtP, aangrijpende in het middelpunt O van het vierkant, 2e het in D opgehangen gewicht p, 3e de reactie

van de pen, welke in E aangrijpt, loodrecht op AB gericht en waarvan wij de grootte door S voorstellen, en 4e de wrijvingsweerstand W, welke aangrijpt in E en die, daar hij het glijden van het vierkant over de pen tracht tegen te gaan, de richting van E naar B heeft.

Daar de vijf krachten "ondersteld worden evenwicht te maken, is de algebraïsche som harer projecties op eene horizontale lijn gelijk nul; men heeft dus:

S sin oc — W cos oc = 0 (1)

Ook is de algebraïsche som van de momenten van die vijf krachten ten opzichte van het punt^EJgelijk nul, zoodat men heeft: r X EO - P X FE = 0.

Sluiten