Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tengevolge van welke beweging A tot B nadert. Op zeker oogenblik, waarop wij de snelheid van A door V zullen voorstellen komt A met B in aanraking of m.a.w. doet er zich een verschijnsel van reclitc centrale botsing voor tusschen de lichamen A en B.

Tengevolge van de botsing zal het lichaam B zich in beweging zetten en wordt de beweging van A vertraagd; immers A oefent in de richting zijner snelheid V een zekeren druk op B uit en B een druk van dezelfde grootte doch tegengesteld van richting op A. Zij op zeker oogenblik van het eindige, hoewel zeer korte tijdsverloop, gedurende hetwelk de beide lichamen A en B met elkaar in contact zijn, de intensiteit van de drukking, welke de lichamen op elkander uitoefenen, gelijk K, de vertraging welke de kracht K in de beweging van A veroorzaakt, P en de versnelling, welke zij aan B mededeelt, gelijk g, dan is wanneer wij de massa's van A

K K

en B respectievelijk door M en m voorstellen: p en , zoo-

Al m

dat p : g ^ : . Deze evenredigheid geldt gedurende het geheele

tijdsverloop der botsing, zoodat de vermindering der snelheid van A vanaf het begin der botsing tot op zeker oogenblik gedurende het contact der lichamen en de snelheid welke B verkregen gedurende dat zelfde tijdsverloop, omgekeerd evenredig is met de massa's M. en m. Is derhalve op zeker oogenblik gedurende de botsing de snelheid V van A afgenomen tot V'en

heeft B eene snelheid v' verkregen, dan heeft men : V — V': v' — : 1 ..(1)

M m

Laten wij nu het tijdsverloop der botsing d.w.z. den tijd, gedurende welken de lichamen met elkaar in contact zijn, onderscheiden in twee periodes. De eerste periode begint bij den aanvang der botsing en eindigt op het oogenblik, waarop de beide lichamen eene zelfde snelheid c gekregen hebben. De grootte van c vinden wij blijkbaar door in de betrekking (1)

M

V1 v1 C te stellen, waaruit volgt, dat C , V is. In die eerste

b M + m

periode hebben beide lichamen tengevolge van de door hen ondervonden

drukkingen eene min of meer belangrijke vormverandering ondergaan,

beiden zijn zij eenigszins samengedrukt. De in de natuur voorkomende

lichamen trachten, tengevolge van hunne veerkracht, in mindere of meerdere

mate tot hun oorspronkelijken vorm terug te keeren.

In het grensgeval, dat de neiging om tot hun oorspronkelijke vorm

terug te keeren, niet bestaat, d.w.z. de beide lichamen A en B volkomen

onveerkrachtig zijn, is de botsing bij het einde der door ons besproken

eerste periode geëindigd en bewegen die lichamen zich naast elkaar zonder

eenigen druk op elkaar uit te oefenen, met de aan beiden gemeenschap-

M

pelijke snelheid C M + m 'n 'le' tweec*e grensgeval, waarin de beide

lichamen na de ondergane vormverandering geheel tot hun oorspronkelijken vorm terugkeeren, d.w.z. in het geval van volkomen veerkrachtige botsing volgt er op de boven besproken eerste periode een tweede, die geheel symetrisch is met de eerste, m.a.w. de kracht, welke op elk der beide lichamen werkt op het tijdstip van a tijdseenheden vóór den afloop der eerste

Sluiten