Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1905. No. 2.

Een lichaam, dat een een gewicht heef! van 500 kilogram, beweegt zich niet eenparige beweging over een horizontaal vlak. Hoe groot is de kleinste kracht, die het lichaam in eenparige beweging houdt, en hoe groot is de hoek, dien deze kracht met het horizontale vlak maakt, als de wrijvingscoëfficient '/» |X 3 is?

Verder wordt gevraagd: Indien in dezelfde richting eene kracht van de dubbele grootte gedurende 10 seconden op het lichaam werkt, als de aanvangssnelheid nul is:

a. Hoe groot is het arbeidsvermogen van beweging, dat het lichaam dan heeft verkregen ?

b. Hoe groot is de weg, dien het in 13 seconden heeft afgelegd?

c. Hoe groot is de weg, dien het na die 10 seconden nog zal afleggen, als de kracht op dat oogenblik ophoudt te werken?

De versnelling der zwaartekracht wordt gelijk 10 meter gesteld.

Ie Gedeelte. F cos cc = f (G — p sin oc), dus P =

f(i q _ tang Q

cos cc -|-fsincc cos oc tangQsin oc

p sin Q _

cos cc -j- sin cc sin Q ~~ sin Q (cos oc — Q)

is het kleinst, wanneer cos (cc — Q) zijn grootste waarde verkrijgt, dus als cos (oc — Q) = i of oc - Q = 0, of oc = Q is, dan is P = G sin Q.

Daar dan f = tang Q = ^ 1/ 3, is oc = Q = 30o en P = G sin Q = 500 X sin 30" — 250 K.G.

2e Gedeelte. Gegeven: oc 30», P — 2 X -50 = 500 KG.

I cos oc 500 X 2 1/ 3 = 250 (/' 3 KG.; wrijvingsweerstand = f (G - P sin oc) = ^ l 3 (500 - 500 X \ ) = 2J° V 3 KG. P cos oc - Wrijving = * X "3° I 3 K.G. = 5^° \ 3 KG.

500 : g = V 3 : versnelling versnelling — ^ I 3 = ^ JX 3 Meter per seconde; v = gt — [X 3 10 = -g 1/ 3 Meter persec.

Sluiten