Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BCG. Men heeft dus CO = CB = a en AG = CQ + AC = a + b terwijl BG = (B (/ 2) = a 2 is. Uit de gelijkvormigheid der driehoeken GAB en CAD volgt: GA = CA = BG = CD of a + b = b = a \/ 2

— CD waaruit blijkt dat CD — |/ 2 is.

Ook ziet men in dat FC — FB = a [/ 2 en EC = EA = 1 b |X 2 is.

Dl inhoud li van het lichaam, dat ontstaat door de wenteling van den driehoek ACD om LF is de inhoud van den afgeknotten kegel welks meridiaan doorsnede het rechthoekig trapezium AECD is, verminderd met den inhoud van den kegel welke ontstaat door den rechth. driehoek AEC

te laten wentelen om EC zoodat '1=3 I (EA2 + EA X CD + CD2) X EC — 3 | EC2 X EA —

= 3 (EC2 + EC X CD + CD2) X EC - -- | EC3 = 3 | EC (EC X CD + CD2).

Evenzoo vindt men voor den inhoud 13 van het liehaam dat ontstaat door de wenteling van den driehoek BCD om EF.

I. = y I (EB2 + FB X CD + CD2) X CF - J | FB2 X CF = = 3 | (CF2 + CF X CD + CD2) X CF - ± „ CF3 = = 3 | CF (CF X CD + CD2)

Men vindt dus £ ^ £C <£C x CD + CD2) of de waarden van EC' CD en CF in a en b uitdrukkende.

Sluiten